←

Sessie 29 - Het Hol van de Draken

📅 2026-08-14 t/m 2026-08-16 🎲 D&D Campaign

🎧 Luister naar deze sessie

← All sessions

Het Hol van de Draken

Sessiejournal — 14 t/m 16 augustus 2026


"Ik heb hem bevrijd." — Dimy'on, nadat zijn zwaard Remus Ombrazone had gevonden


Datum: 14-08-2026 t/m 16-08-2026  Locatie: De Unter → Far Dream → Het Wandelend Emporium → Chol Sin → Het Hol van de Draken  Aanwezigen: Barry, Varg, Sevila, Kyor, Alice, Gaia, Dimy'on


Deel I — De Nacht in de Machine

Wat Voorafging

De vorige sessie eindigde in de nasleep van een stad die ophield te bestaan. Het Senaat van Hilvanen was een nest van vermomde drow gebleken; de ankerstenen van de tijdlus waren verbrijzeld, en toen de koepel viel, nam de Underdark zijn grond terug. Water stroomde de grot binnen, duizenden overlevenden zochten een weg naar boven, en de groep reed weg op de enige hoop die hen restte: de Unter — het kolossale boorvoertuig op rupsbanden, gebouwd door de hand van Gimmel, die er niet meer was om hem te besturen. Achter hen lag wat ooit Hilvanen was geweest. Voor hen lag de Underdark — en ergens daarin, dichterbij dan ze wisten, de patrouilles van Menzoberranzan.

De Bemanning

Het voertuig dat voor zes personen was gebouwd bood nu plaats aan bijna vijftien. In de machinekamer werkten Malvin, met zijn arm in een spalk, en Gendel, die mankte, in een stilte die meer zei dan woorden. Toen Gendel vroeg wat er was gebeurd, trok Malvin hem terug: laat maar effe. Mila verbond wonden en deelde sterk gebrouwen kruidendrankjes uit — kom, dit zal jullie helpen slapen. Ulm vulde de bestuurderscabine met zijn stenen lijf en stuurde door met een gapende rode wond over zijn borstkas; hij vloekte binnensmonds, maar gaf geen kick. In een hoek lag de spinrag-kokon van iemand die ze uit de klauwen van de drow hadden gered — sindsdien was er meer web bijgesponnen, en niemand had de persoon wakker kunnen krijgen.

De Rondgaande Blik

Sevila glipte de cabine binnen, slangen-achtig en stil, en sloeg twee drankjes van Mila achter elkaar achterover zonder enig effect. Haar ogen gingen rond en bleven haken op ieder gezicht. Alice en Dimy'on, die haar kenden, zagen in die blik geen verwijt maar een spiegel: een bijna zelfhaat, een kinship die haar pijn deed. Tegen Gaia — die de stenen had gebroken, die de verantwoordelijkheid droeg — kon ze er niet mee terecht. Haar blik bleef het langst hangen op Warks whisper jar, en Wark zag het.

Wark stak zijn pijp op, schonk een sterk glas in en zei tegen niemand in het bijzonder: godverdomme. Dat was nog een wat. Hij had niet eens zin om een liedje te zingen. Toch bood hij Sevila een glas aan, en zij pakte het aan. Ze toosten — opdat we nog veel meer fouten mogen maken — en voor even was er een tafel waar mensen elkaar aankeken.

Kyors Gebed

Kyor zocht een plekje, legde een matje neer en stak een kaars aan. Zijn grote munt-amulet — aan de ene kant een zonsopgang met een pad van edelstenen, aan de andere kant een schreeuwend skelet — lag in zijn handen. Ooit was zijn band met zijn god bijna een van bloed geweest; nu drukte het gewicht van tonnen steen op hem. De vorige keer dat hij om hulp riep, kwam er geen antwoord. Deze keer werd de zonskant van de munt warm. We zijn nog bij je. De andere kant bleef koud — uit de munt én uit hemzelf — maar hij hield zich vast aan de herinnering aan zijn oude vriend Lavander, zonder wie hij hier nooit was geweest, zonder wie hij deze mensen nooit had kunnen redden. Zijn keuze om het Equilibrium te verlaten, zo bevestigde hij voor zichzelf, was de juiste geweest.

Het Plantje

Gaia vroeg naar haar plantje en vond het verhuisd naar het koude kastje, omdat de motor te veel hitte maakte. Het zag er slecht uit. Ze bevroor de pot met ijsmagie, en de runen op de pot bleken betekenis te hebben — het plantje was doorgegroeid en zei plots zijn eerste woordjes. Dankjewel. En eerder al, tegen Gaia: hou je cool. Gaia keek Mila aan met iets wat op hoop leek: er komt iets positiefs naar al die shit en ellende. Ze kende haar eigen patroon — verlies, dan een nieuwe obsessie, de deur op slot zodat de oude shit niet bovenkomt — maar ze duwde het weg: we moeten door.

De Roep van Jarlaxle

Toen Warks muziek eindelijk door de cabine trok — een oud drow-instrument, ouder dan de drow zelf, snaren en toetsen en een blaasbol — ging plotseling de oorbel van Dimy'on af. Dimy'on, mijn broeder. We waren je kwijt. Geef verslag. Het was Jarlaxle, de leider van Bregan D'aerthe, de meest invloedrijke man in de drow-maatschappij. Dimy'on trok zich terug naar de latrine en stuurde een flard van zijn herinneringen terug. Het nieuws was groot: heel Menzoberranzan stond in rep en roer; de huizen lagen met elkaar overhoop; Lolth zelf had een decreet gestuurd dat een van de grote huizen zijn plaats zou verliezen. Jarlaxle had de achtervolging op de groep laten verstoren — onze diensten zijn in geen honderd jaar zo in trek geweest — maar Dimy'on moest de bovenwerelders op het afgesproken pad houden. De nieuwe bestemming: Le Souk Nindel Mumbaro, de markt die zichzelf verplaatst, de grote ontmoetingsplaats van alle volkeren van de Underdark. Een agent zou de route komen brengen. Is hij te vertrouwen? Natuurlijk niet. Maar zijn loyaliteit is wel gekocht.

Toen de verbinding verviel, bleef Dimy'on even staan. Hij geeft om mij. Hij verdrukte het naar de achtergrond — daar zit wat achter, natuurlijk — en liep terug naar de tafel, waar gekookt werd, gedronken, tegen plantjes gepraat, gebeden. Op de achtergrond gingen bijna violette ogen van de een naar de ander.


Deel II — De Kaart en de Reuzen

De Lange Tafel

Dagen later, diep in Far Dream, zat de groep voor het eerst samen aan een maaltijd. De bemanning draaide ploegendiensten van acht uur — kolen scheppen, de motor draaiende houden, slapen — en het besef was er dat de voorraden niet oneindig waren. Het eten was smakelijk maar karig: paddenstoelengerechten, de hele cabine rook als een specerijhok. Gaia had de hydroponics zien lijden; de kou was hard, een deel van de oogst ging het niet overleven. Misschien tien procent van de voorraden was er nog. Iedereen krijgt een bordje, en dat is wat ze krijgen.

Alice kookte en analyseerde haar reisgezelschap. Jullie hebben me uit mijn shit geholpen. Jullie zijn nog niet mijn mattie — maar ik vertrouw jullie op zekere hoogte. Voldoende om te slapen en niet te denken dat er een mes in mijn rug komt. Ze maakte zich nuttig in alle gaatjes; probeerde zichzelf onmisbaar te maken.

De Kapotte Capacitator

Varg — door de groep nog altijd Fark of Wark genoemd, de bard die de machine met muziek draaiende hield — legde de diagnose op tafel. Een enorme stalactiet was tijdens de vlucht van het grotdak losgekomen en dwars door de machine geslagen. Een essentieel onderdeel, iets als een versnellingsbak of capacitator, was verwoest. Zonder dat ding zat de motor vast in de eerste versnelling, werd gloeiend heet, en hield het niet vol. Dit was niet iets wat je op locatie kon repareren — daarvoor moest naar een stad, naar mensen die het konden maken. En terwijl ze praatten, zaten de patrouilles van Menzoberranzan hen nog steeds op de hielen. Het plan werd gevormd: alle bemachtigde kaarten bij elkaar, en samen op zoek naar de eerstvolgende nederzetting van diepe gnooms — de svirfneblin, de meesters van illusie, de enigen die de machine konden redden.

De Kaart van de Underdark

Sevila rolde de grote leren kaart uit die ze uit de bibliotheek van de huizen van Menzoberranzan hadden geroofd — een verse kaart van Huis Van Dren, een maand oud, met ingestorte tunnels en ondergelopen grotten zorgvuldig bijgewerkt. Voor de Underdark-geborenen onder hen was de wereld erop herkenbaar: dezelfde landmassa's als boven, maar met vreemde grenzen en namen. Verderop begon Pelvuria, het ijs — het plan was om boven de grond te komen zonder erdoorheen te hoeven boren. En tussen hen en het ijs lagen drie obstakels. Boven lag de Anauroch-woestijn, de plek waar leven eindigt; eronder het Begraven Rijk — oude rijken, begraven onder het zand, waar dingen lagen die beter verborgen konden blijven. En dan Aramkos, een levend paddenstoelenbos dat zichzelf de koning van zijn eigen kleine rijkje noemde; duergar-patrouilles die aan de randen kwamen, kwamen niet altijd terug. Tussen beide lag een smalle passage — een snelweg midden in het leven, en de perfecte hinderlaagplek voor een drow-patrouille. Ze hoeven maar één tunneltje in te laten storten, en je gaat er gewoon niet uit komen.

Twee steden boden hoop. Chol Sin, de stad van de warmschaduw, gesticht door een schaduwdraak die een drow-huis onder zijn vleugel had genomen — generaties half schaduwdraak, half drow, onafhankelijk van Menzoberranzan. En Amarindar, de stad aan het begin van de pas, waar recht van de sterkste gold en de svirfneblin hun handelsenclave hadden. En recht van de sterkste, zei Sevila, dat gaan wij niet zijn. Ze wilde onderhandelen — met kennis, met goud, met wat ze hadden. Volgens mij is die wagen ons kapot, zei Kyor. Op deze manier zijn we er over drie jaar nog niet. En haalt de patrouille ons sowieso in.

Het Schaduwvolk

Midden in het route-overleg kwam het besef bij Gaia binnen als een klap. Haar Mark of the Shadows — de markering die ze haar hele leven had verhuld — vormde een link met het schaduwvolk. Bijna vijfhonderd jaar oud was ze, een vondeling die haar oorspronkelijke stam bijna ter vondeling had gelegd omdat er iets mis was met het kind, en die gered was door de Onyxes. Ze had in het Rijk der Schaduwen gereisd; ze had het levende steen en de darkness gekanaliseerd. Ze keek om zich heen met nieuwe ogen: Alice met haar asgrijze huid en het donkere plekje achter haar oor. Barry en ik hebben dezelfde steen. Alice en ik hebben dezelfde plekjes. Ze stond op en ging naar haar plantje: ik moet het echt helemaal even…

De Whisperjar van Kyor vulde het verhaal aan. Het schaduwvolk — de charaka, de shadar-kai — was een gebroken volk, machtig en invloedrijk, met oren en ogen in de gewone wereld. Wanneer zij onze wereld bereiken, wandelend door mist en schaduw, komen zij altijd in getale om hun doel te bewerken en daarna als schimmel weer te gaan. Ze hadden een oude link met Netheril — het eeuwenoude rijk van magiërs dat van de ene op de andere dag van de aardbol verdween. Wat onder de woestijn begraven lag, waren vermoedelijk de ruïnes van Netheril zelf: de ruïnes van de voorouders van dat schaduwgebied. En er was één waarschuwing die Sevila zich uit haar schooltijd herinnerde, een leraar die met krijt op het bord schreef: Don't mess with the Ferim. Einde les. Het Begraven Rijk was waar de Ferim begraven moesten blijven liggen.

De Potten van Netheril

Barry's herinneringen kwamen terug in flarden — eerst een bladzijde die hij niet kon lezen, toen een natural twintig die de hele bladzijde openlegde. De potten die ze in de ruïnes hadden gevonden waren reddingsboten geweest. Bij de val van de stad werden de zielen van de inwoners opgevangen; als een andere stad ze vond, werd die hele stad geresurrect. Als just add water. Hij had een fabriekshal gezien vol cabines, honderden, misschien duizenden — en Raimamar had zijn eigen pot, die niet altijd aan stond. Een volk dat wachtte als zaadjes in de grond, klaar om terug te keren. Ons volk zal terug. Wij zullen terug.

Gaia's eigen verhaal kwam eruit alsof het al die tijd op haar tong had gelegen. Ze was maar de kinderjuf geweest, de laagste in rang van een stam die dierzielen huisvestte — beer, adelaar, konijn, vos. Vlak voor de aanval die haar wereld verwoestte, gaf de leider haar een schild van levenssteen, en ze had het nooit begrepen. Ze herinnerde zich vooral dat ze haar man en zoon niet kon terugvinden. In mijn beleving was iedereen overleden. Haar stam, zo bleek uit oude verhalen, was ooit de wachters van het steen geweest — een cel van een grotere organisatie die het portaalnetwerk bewaakte: de poortwachters, gesticht door Zendabar, die de deuren onderhielden die een netwerk vormden over de hele wereld. De eerste stichting was Netheril geweest. Connecting the dots.

En er was Mahadi. Barry kende hem uit de karavaan — een handelaar die meereisde en een demonische zielenhandelaar bleek. Hij was een wishmaster. Hij vervulde wensen. In ruil voor je ziel. Maar dat zei hij van tevoren niet. In Menzoberranzan hadden ze tegen Huis Xorlarrin gewerkt, dat met Mahadi samenspande. En Dimy'on had zijn eigen bekentenis — een minuscule misstap, ooit, op missie voor Mahadi, die hem naar de Grimalkin Academie had geleid, een magiërschool zonder vast adres die één keer per jaar de hele campus teleporteerde. In de kelder stond een groot hub-portaal. Jullie zijn na zo'n hub onderweg. En Mahadi is nu in zo'n hub. Barry's woede hield hij binnen, maar hij toonde het hangertje van zwarte steen dat hij bij zich droeg — dezelfde steen als Gaia's schild.

De Projectie van Moira

Het plan om Moira te bereiken — het schoolhoofd van de Grimalkin Academie, een mens die door de woorden van de school in een catfolk was veranderd — begon met een scrying. Kyor bereidde de spreuk voor, met Gaia's loodzware schild als focus. De reflectie toonde een vrouwelijke catfolk in een aristocratisch kostuum. Maar Moira voelde de sensor onmiddellijk; haar snorharen gingen overeind, en met een dispel magic was de verbinding verbroken. Even later vormde zich midden in de Unter een illusie die tot leven kwam: een golf van magie, en daar stond Moira, hen aankijkend. Het zijn werkelijk jullie. Barry, Gaia, en de rest. Ze herkende het voertuig — het apparaat van Gimmel, gebouwd onderin de kelder van de academie — en was woedend dat het in gebruik was genomen voordat het klaar was. Toen de groep vertelde dat Gimmel dood was, zweeg ze even. Weet je hoe lang het duurt voordat ik een nieuwe Artificer gevonden heb?

Wat volgde was een les in de ware geschiedenis van de wereld. De eerste faculteit van de academie waren Netheril-magiërs geweest, overlevers van de val. Het Nexusnet van leylijnen en portalen was geen reisnet maar een kooi — een gulden kooi om de wereld heen — die entiteiten gevangen hield. Hoe zwakker het net, hoe makkelijker de mazen te vinden waren. Buiten werden de verriemen gehouden: de eters, een bodemloze put, verorberaars van alles, gevangen onder de Anauroch-woestijn. In de oergeschiedenis hielden de Saruk en de Shar hen klein; de Saruk, de reptielenvolken, vielen millennia geleden; de Shar verloren grotendeels hun materiële lichaam. Sevila's volk was door de Saruk gecreëerd — zij was een geleerde van die geschiedenis, haar mentor Zelia had een eeuwenoud Saruk-artefact. En toen kwam Netheril, dat de Sjaren gevangenzette door het Nexusnet te vormen. Nu was het net zwakker dan in decennia, en overal werden vuurtjes aangestoken om de aandacht af te leiden. Iemand anders treedt aan de touwtjes. En we noemen geen namen. De afspraak werd gemaakt: de groep zou naar Chol Sin gaan, waar een van Moira's agenten in de buurt was — de magiër Belenos.

Toen Moira een laatste bericht wilde vooruitsturen, begon de illusie te ruizen. Een stem riep: nee! Nee! Nee! — en de verbinding viel weg.

De Steenreuzen

Ulm's stem uit de cabine: jongens! Ik hoor een heel raar geluidje. Willen jullie even komen kijken? De Unter reed recht op een enorme stalagmiet af — die zijn armen spreidde. Een reus van donker, steenachtig materiaal, makkelijk twaalf meter hoog, sloeg met een gigantische knuppel tegen de boor vooraan. En achter de eerste stonden nóg twee, gecamoufleerd als rotsformaties. HON-DA-ROM! brulde de reus in het Giant. De hele machine schudde en knalde door elkaar.

Dimy'on en Barry schoten via de neus naar buiten. Barry sloeg twee keer met smite; Dimy'on vergiftigde zijn zwaard en sneed de kniepezen van de eerste reus door. Gaia wierp een Wall of Stone — de dikste variant die ze kende, bijna tweehonderd punten aan steen — en de Unter ging achteruit. Binnen laadde het kanon: twee standen, Whitebeam en Narrowbeam, onzichtbare sonische energie. Toen de muur bezweek onder het geweld van de reuzen, klonk het vuurcommando: Vuur! Fire in the cannon! De laagfrequente knal vergruisde twintig meter steen tot zand. Barry's bijl vond een natural twintig en hakte een kop eraf ter grootte van de eettafel. De twee overgebleven reuzen raakten in bloedwoede. Kyor probeerde in hun eigen taal te praten — communicatie, diplomatie — maar zijn intimidatie faalde. Jullie komen er echt niet door, gromde de reus. Niemand mag er langs.

Het Verhoor

De laatste reus, zwaargewond en op zijn knieën, werd gespaard — niet uit genade, maar omdat Kyor antwoorden wilde. Waarom lieten jullie ons leven? vroeg de reus. Hij kon niet toelaten dat ze naar het hol van de draken gingen. Een ieder die hier in het ondergrondse diepgrond waakt, weet waar het hol van de draken is. De overreding faalde — de reus wilde liever naar zijn voorouders dan praten. En toen verloor Kyor de lieve meneer even helemaal. Zijn Necrotic Shroud kwam over hem heen: zijn stem werd diep, zijn ogen werden bijna zwarte poelen. Vertel mij wat ik wil weten. De reus deinsde achteruit en sprak: het drakenhol was de plek waar de donkere elven leefden, onder de vleugels van de gehate draken, de eeuwenoude vijanden van de reuzen. Velen van zijn soort waren al gegrepen door de dragermensen — veranderd, misvormd, geïnjecteerd met drakenbloed. Jij bent ook gebonden door de krachten van de doden, zei de reus tegen Kyor, en greep naar hart en hoofd en stierf. Jullie. En die drakencultus. Jullie en die groen geschubde hagedis. Wij zullen overleven. Aan tafel klonk het droog: je hebt hem doodgeluld.

Alice zag wat de anderen niet zagen: de duisternis die uit Kyors harnas kwam, de kleur die uit zijn lijf verdween, de adem van de anderen die in wolkjes zichtbaar werd alsof hij van binnen ijzerkoud was. Ze kende necromantie. Dit was lich-achtige magie — een ondode essentie die hem op deze wereld had teruggezet, iets ouds en puurs waar het dunste laagje goud van afgeschuurd was. Even snel als het kwam, trok het weg. Het laagje vormde zich weer als een eierschaal, en hij was weer de oude. Hij deed alsof er niets was gebeurd.

Sevila's Vertrek

In de nasleep keek Sevila met vreemde blikken naar de gevallen reus. Ze had het vervloekte houten zwaard — het zwaard dat de Netherse taal sprak, de verleidelijke route die de groep haar had verboden — en plotseling was ze weg. Oh ja, shit, zei iemand, dat zwaard moeten we bij haar afnemen. Te laat. Sevila was verdwenen, spoorloos, met het zwaard.

Vlucht naar Chol Sin

Er was geen tijd om haar te zoeken. Achter hen glinsterden ogen in het donker — achtervolgers, wezens waar drow op reden. De Unter beukte door een Wall of Stone; de tunnel stortte achter hen in; urenlang boorden ze door zwaarder gesteente met het sonische kanon. Toen de machine door een verstevigde muur brak, keken ze uit over een vulkanische schacht — en daar, midden in een gordijn van zwavelrook dat door magie buiten de straten werd gehouden, lag Chol Sin. Hoge torens als een Manhattan in het donker, elfse bouw met zware metalen steunpilaren als vleermuisvleugels. Bij de poort: een enorme gebeeldhouwde drakenschedel, de mond als ingang naar de stad. Slaven werden naar binnen gesleept met de huisinsignia van Menzoberranzan. De groep parkeerde de Unter verdekt in een tunnel — want de vorige keer dat ze hem kwijtraakten, ging het mis — en betrad de stad.

Daar werden ze aangesproken door een oude drow-dame met een superlang gewaad, littekens en één oog dat met drakenklauw-littekens uit haar kas was gerukt. Ze heette Akanara. Ze kende de wegen, sprak de wachtmeester aan in het Draconisch, en regelde een gezegeld document dat de Unter een parkeerpas gaf — een oud verdrag tussen de draconische bloedlijnen en haar familie, verzegeld door Akanara en haar zusters. Het is wel de bedoeling dat we ons niet buiten het marktterrein begeven, zei ze. Op straffe van dood beperkt. De groep bleef wantrouwig — overal alarmbellen, maar geen gewin, nog niet. Akanara vertrok met een laatste zin die Kyor diep raakte: ik ga op zoek naar mensen zoals jij. Naar je zus.


Deel III — Het Wandelend Emporium

Vertrouwen

Buiten de Unter, waar de machine wachtte op een reparatie die niemand kon leveren, kwam de spanning tot een punt. Dimy'on zei hardop wat hij al dagen voelde: waarom werd híj steeds gewantrouwd, terwijl hij zijn leven al vaak genoeg voor de groep in de weegschaal had gelegd? De groep moest het toegeven — gespleten loyaliteiten, pik op hem, en ze waren zelf ook niet altijd eerlijk tegen hem. Barry: dat is een krimp van respect. Hij geeft jou meer krediet dan jij hem geeft. Later, stilletjes via een Message die niemand anders hoorde, zei Dimy'on tegen Varg: we hebben hetzelfde doel. En dat is voor nu genoeg.

Het Emporium

De markt waar Melina hen naartoe stuurde bleek groter en ouder dan de stad zelf: het Wandelend Emporium, de verplaatsende markt van de Underdark, een immense verzameling kraampjes en volkeren die tegelijk op meerdere plekken bestond, tussen de randjes van de wereld. Honderden mensen, tientallen talen; half-drow-dragonborn met ingeklapte vleugels bewaarden de orde, en de meest depressieve narren riepen in kleurrijke lappenpakken: wees welkom in het wandelend emporium! Alles is hier te halen! Alles is hier te vinden! Eén nar, Jackalion, had nog 443 dagen op zijn schuld uit te spenderen en wees hen de weg naar de heer van het emporium, te vinden in Inferno Raptures. Toen Barry het betaalmiddel zag, begreep hij het: de munten die hier golden waren zielmunten — munten waarin de zielen van mensen zaten, de valuta van de Negen Helle. Jongens, zei hij, de munten waarmee we moeten betalen zijn zielmunten. Het emporium was van Mahadi. De Rode Tijger. En Dimy'on had hen hiernaartoe geleid.

Melina

Melina, de maaltijdheks, herkenden ze van de kookwedstrijd in Sundabar. Ze stond aan een enorme blauwleren hutkoffer met een keuken erin, vier ketels tegelijk roerend met mage hands, zilvergrijs haar, pollepel achter het oor — totaal overwerkt, 72 uur aan één stuk. Toen er een krachtige dispel magic op haar werd geworpen, werden rond haar hoofd glinsterende kettingen zichtbaar, en haar ogen werden even helder. Dankjewel. Ik zou nu niet gelijk instorten. Ze had haar gastromantie verkocht in ruil voor een deal die haar meer kostte dan opleverde; de ketens had ze zelf gesmeed en kon ze er niet zonder uit. Nog 72 jaar te gaan. De groep beloofde haar: deze keten hoef jij geen 72 jaar meer te dragen. Wij gaan zorgen dat je eerder verlost wordt. Maar de vloek greep haar weer, de kettingen flakkerden op en lieten rode brandplekken achter op haar voorhoofd, en mechanisch viel ze terug in haar rol: volgende! De volgende!

Alice's Missie

Terwijl de groep onderhandelde, trok Alice zich subtiel terug. Ze zocht iemand: Remus Ombrazone — de schaduwzoon, iemand met wie ze vroeger een band had gehad. Ze danste en speelde mee op de markt, en niemand merkte dat ze weg was tot Melina hun bakken vulde en iemand vroeg: waar is Alice eigenlijk? Onderweg werd ze aangesproken door een dwerg met een glimmende, ingevlochten baard — een recruiter van de meester van het emporium. U heeft een groot talent. Hij nodigt u uit naar zijn establishment. Hoe meer zielen, hoe meer we winnen. Alice weigerde vriendelijk en liep door naar een kraampje met een uithangbord van gebleekte botten: Calcium Cadeautjes, waar een klein goblin-dametje met een toren van schedels tot aan haar kin ruilde in botten, merg en dingen om op te knagen. Alice had niets wat haar interesseerde en liep met lege handen weg.

De Verdwijning

Alice bleef weg. Berichten via Sending kwamen eerst nog fluisterend terug — ik geloof niet dat die vrouw van net jou leuk vindt. Blijf in de buurt — en daarna helemaal niet meer. Locate Creature vond haar op het uiterste randje van het bereik, door een doolhof van gebouwen, en de groep rende erachteraan. Midden in de menigte veranderde Gaia zonder overleg in een reusachtige adelaar, greep Kyor — die de verbinding met Alice vasthield — met haar klauwen, en Dimy'on sprong op haar rug. Hoog boven de markt zetten twee gevleugelde drow met drakenvleugels de achtervolging in; één ademde een wolk paarse slaaprook. Gaia, vertrouw me, riep Dimy'on. Als een pijl uit een boog naar beneden schiet, kan je ze gewoon ontlopen. Gaia zette een vrije val in. Vliegen is niks anders dan gracieus vallen. Ze kwamen hard neer, verwoestten drie kramen, en kropen weg met blauwe plekken — in een doodlopend steegje, waar Kyor opnieuw Locate Creature probeerde en faalde. Ze kozen een willekeurige richting, in de hoop Alice te vinden.

De Divinator

In het hart van de markt vonden ze een handelaarster die bezweringen, vervloekingen en bindingen verkocht en machines kon repareren. Voor een divinatie eiste ze een fonkelend muntje. Barry had drie zielmunten op zak en weigerde principieel: ik vind een ziel niet het repareren van dit ding waard. Ik had al half beloofd tegen mezelf dat ik die zielen ging bevrijden. De tafel zette druk. Geef die munt gewoon. Even je principes laten varen. De munt werd overhandigd, en de dame wees de weg: tweede afslag links, derde afslag rechts, blijf doorgaan — met de waarschuwing dat hun metgezel zich verplaatste.

De Groene Draak

In de steegjes vond Barry een gescheurde flard stof die van kleur verschoot als een kameleon — een stuk van Alice's mantel. En toen kwam uit het niets een enorme groene draak tevoorschijn, met twee reusachtige klauwen, een lange zwiepende staart en wolken zuur gif uit zijn muil. De groep werd opnieuw gesplitst — hapklare brokjes voor de draak, zoals de DM het noemde. Ze verzamelden bij de Unter en keerden terug, vastbesloten. Aan het eind van een steegje klonk een stem van boven: ik weet niet wat ik met zoveel voorraad moet doen. Maar mijn eetkelder is lange tijd niet zo gevuld geweest. Kom nog maar een stapje verder. De draak stortte neer. Gaia maakte zich tot een levend schild, vloog omhoog als adelaar en ving hem op; Kyor strekte zijn hand uit en riep het pure licht aan, en door de duisternis van de Underdark scheen plotseling een helder licht. De draak verdween — snel en slim, maar echt niet meer te vinden.

De Cultusput

Dimy'on liep dwars door wat een muur leek maar een illusie was, en vond een groot openslaand kelderluik. Het was een kazer-neput, groot genoeg dat de draak zich erdoorheen had kunnen wurmen; de stenen waren afgeschuurd door schubben. Er hing een groot vaandel — het symbool van de drakencultus. Achter de muren klonken gezangen en spreuken. De put liep als een glijbaan de diepte in. Als je een slachthuis kent, waar ze koeien door een glijbaan naar beneden gooien — dat is waar je hier mee te maken hebt. Dimy'on gleed als eerste naar beneden, Legolas-stijl, en Gaia volgde: dit pik ik gewoon niet. Kyor bleef boven als uitkijk.

Kyors Eenzame Wacht

Minuten gingen voorbij. Om de draak uit deze wereld te bannen moest Kyor tien minuten concentratie vasthouden, en hij stond alleen in het donker. Ik ben bang, zei hij tegen niemand, keer op keer. Zweetdruppels over zijn voorhoofd, het harnas als lood. Toen klonk er een geluid uit de steeg — en uit een bolletje zwarte duisternis stapte een eenogige grauwe dame met een vreemd houten zwaard. Ze sloeg hem met de achterkant ervan, doelgericht om zijn concentratie te verbreken: 28 punten bludgeoning. Hij stond op zijn tanden, hield vol, en voelde het zuigende geluid toen de draak verbonden werd van deze wereld. Opgeruimd, netjes. Toen hief ze het zwaard — en hij herkende het. Het was het zwaard van Sevila.


Deel IV — Het Hol van de Draken

De Terugblik

De ochtend begon met een stap terug. Alice was in een nauw steegje overvallen door de jonge groene draak, die dwars door illusionaire muren bewoog; ze vocht met rapier, dolk en spreuken, maar raakte gedesoriënteerd en werd neergeslagen. Ze ontwaakte vastgebonden in een warm, zwavelachtig hol diep onder de stad — tussen andere bewusteloze gevangenen, bezoekers van het emporium. Cultisten in grijze mantels met vleugelpatroon en gehoornde maskers smolten goud, zilver, koper en platina tot één plakkaat ter grootte van een muur. Een cultist met een gulden masker meldde aan zijn heer: mijn ritueel bereikt bijna zijn voltooiing. De geëerde draak zal spoedig haar leven opgeven om zichzelf te reanimeren als een machtige, onsterfelijke ondode. De gevangenen waren de reanimatiemaaltijd. Een menselijke schriftgeleerde protesteerde over respect voor de draak — een telg van de grote Claugiyliamatar, wiens moeder gedwongen was hem aan dit ritueel op te vangen. De heer stuurde hen weg: iedere draak ziet zichzelf opnieuw ontwaken als een dracolich.

De gemaskerde heer liep naar de gevangenen, en zijn aanwezigheid vervormde de ruimte — er naar kijken maakte misselijk. Hij kende Alice's naam. Ik hoorde dat je naar me op zoek was. Hij weigerde te zeggen welke wezens er werden vastgehouden; dreigde dat de draak uit de hoogte zou komen, zijn schat zou opvreten, en met het laatste offer van magische kracht als dracolich zou ontwaken — waarna hij de gevangenen zou opeten, met Alice als een zaadje in zijn ondode maag. Alice hield haar sarcasme: ik ben een zaad? Ze daagde hem uit, eiste antwoorden of de dood. Hij kon haar niet doden — ze moest nog opgediend worden. Over de schaduwwezens in de portalen zei hij: het is onvermijdelijk. Het is slechts correct dat zij de schaduw terugkeren en opnieuw bezit nemen. En bij zijn vertrek: het doet me denken aan iemand die ik lang geleden kende. Ze heette Alice. Tijd om te gaan.

Alice' ontsnappingspoging was bijna een succes — een onzichtbare mage hand, een verborgen naald, een natural twintig, een misty step naar haar rapier — maar de heer bewoog onnatuurlijk, alsof de kamer plotseling korter was, en zijn gekarteld stenen zwaard bracht haar naar nul. Bind opnieuw vast, zei hij. En goed dit keer. Maar hou haar in leven. Ze moet nog opgediend worden.

De Gevangenen

Barry en Varg ontwaakten in een diepe ondergrondse kamer, vastgebonden en gekneveld. Ook zij waren in de val gelopen: de rode magiër had hen naar de schacht geleid, waar de groene draak dwars door niet-bestaande muren was aangevallen — een grote illusie. Barry lag met zijn hoofd op een jonge halfdrow-vrouw die hij onmiddellijk herkende — hij had haar gevonden, eindelijk — met bloed uit haar neus en tekenen van psychische schade. Varg lag bovenop vier andere gevangenen en overwoog te enlargen, tot hij besefte dat de touwen meegroeiden. Achterin zagen ze drie kleine wezens met grijze huid en rode puntmutsen — diepgnomen, aan elkaar geketend — die met pikhouwelen symbolen beitelden in een enorme goudklomp ter waarde van tienduizenden goudstukken. En aan de andere kant van de ketting stond een heel erg lelijke, heel erg stinkende pakezel: Fred, Barry's trouwe viervoeter, beladen met gnomen-gereedschap en grote tandwielen. Wat hier gebeurt, is echt een schandaal, zei Barry. Jullie hebben mijn draak afgenomen.

De Broer

De slachthal waar ze gevangen lagen was een oude, veertig meter onder de grond, met een stone giant die met een ketting door zijn borstkas goud tot blokken perste — omgebouwd tot een draakachtige mengelmoes, dezelfde vervorming als eerder. Twee magiërs dirigeerden het geheel: de kaalgeschoren, getatoeëerde rode dame Demetria, ingehuurd voor het ritueel — ze wilde het maanzwaard en informatie van de arcanisten — en de keurige Belenos, een freelancer op uurbasis die flirtte met haar intellect. Alice, allang losgesneden met een scherpe nagel, las het tafereel feilloos: iedereen is hier voor zijn eigen slaatje. Niemand gaat voor een ander door het vuur.

Toen stampte iemand de hal binnen. Wat is er hier gebeurd? Belenos onderschepte hem, en Barry hoorde de stem en herkende onder de mantel: iemand die ooit jouw broer was. De kapuchon ging af. Eén kant van het gezicht geschubd, een oog als een dun spleetje, het oor weg, aderen in de nek als draconische schubben; aan de andere kant donkere, schaduwachtige energie. Remus Ombrazone. Barry scheurde zich los en omhelsde zijn broer — een zwaar moment vol herinneringen aan vader Ombra, de karavaanwachterstochten door de Evermont Mountains, de tavernes van hun moeder, en de gelofte die Barry had gemaakt om hem te vinden. Wat is jou aangedaan om te worden zoals je bent?

Toen fluisterde Remus een woord: Arpiones. Vloeiende ketentjes verschenen rond Barry's voorhoofd, en zijn blik werd leeg. De tafel begreep het: Barry had zijn ziel verkocht; het codewoord was uitgesproken; hij was een automaat. Zombie-achtig liep hij naar de stapel uitrusting, pakte de Mean Green Killing Machine, en liep ermee naar de vastgebonden mensen. Hij hief de bijl. En net voordat die viel, gaven Belenos en Demetria het sein — en uit de glijbaan kwamen met een kloppende knal een elf en een vrouw de kamer binnenvliegen. Volledige chaos.

Het Grote Gevecht

Fred de ezel trok zich los — niet sterk genoeg om de kettingen te breken, maar wel om drie diepgnomen op sleeptouw te nemen en twee cultisten plat te trappen met zijn zware kettingkogel. De cultisten bleven bezig met het ritueel, ondanks zichzelf: ze gebruikten geitenbloed in plaats van otterbloed, hun religion-checks faalden, en de runen lichtten gevaarlijk op. We zijn hobby-cultisten, zei de tafel.

Demetria's dragonflesh giant stapte op Dimy'on af; Dimy'on probeerde Barry te verkleinen met een reduce-spreuk — minimize the threat — maar Barry's beschermingsaura hield zijn ware grootte overeind. Remus opende een zwart gat tussen zijn handen waaruit een massa schimmig vlees, tanden en klauwen kroop — een wezen dat hij niet onder controle had. Alice's Mind Whip trof Remus en liet haar een visioen zien: ze greep naar de darkness in zichzelf, en besefte — I was born of this. Hij was juist hierdoor gemaakt en gevormd. Barry, onder invloed, haalde uit naar zijn eigen mensen: eerst Dimy'on, toen Varg — een klap in de schouder die Varg naar nul bracht. Gaia's Healing Word bracht hem terug. Barry probeerde bij Alice te komen, maar Belenos blokkeerde hem. En hierom ben ik Mage Slayer.

Dertig meter boven hen, bij de schacht, verscheen Akanara opnieuw — en Kyor herkende het houten zwaard in haar handen: het zwaard van Sevila. Ze tikte hem aan om zijn concentratie te breken, maar Kyor hield vol — de training van het Equilibrium — en voelde de banishment: de draak was weg. Dit is een demiplane, had Alice hem gefluisterd; het wandelend emporium was een zak in de wereld, en daarom werkte de ban. Kyor tackelde Akanara de glijbaan af — een natural twintig — en samen tuimelden ze de diepte in.

Remus wierp zijn mantel af. Aan één kant was zijn arm volledig verdwenen, vervangen door twee enorme slangenkoppen die aan grijparmen heen en weer zwaaiden; zijn andere arm was orkachtig. Hij trok een vervaarlijke scherf van vreemd zwart steen als wapen — dezelfde aard als Gaia's schild. Gaia herinnerde zich: de leider van haar stam, de drager van de adelaargeest, droeg ooit een machtig schild, een sleutel van de Onyxis — en had haar leven opgegeven zodat Gaia met dat schild weg kon komen. Ja, ik moet dat zwaard hebben. Haar barkskin ving zijn onnatuurlijke aanval op; haar schild bewoog uit zichzelf, als twee magneten van de verkeerde pool, en blokkeerde de klap. Told you. Told you, mother.

Het Ritueel Mislukt

Alice griste de gestolen spullen terug — een Color Spray die de wachters verbijsterde, spullen die kletterend op de grond vielen. Fred trapte de cultist die Vargs spullen droeg plat met zijn speciale hoefijzers. De diepgnomen grepen kruisbogen, schoten de cultisten af, en vormden een rijdend gevechtsplat: één gnoom klom op Freds rug en bespeelde een magische luit. Gaia vocht een episch duel tegen Remus — Guardian of Nature, shillelagh, natural twenties — en straalde daarbij zelf dezelfde schaduw uit als hij: de mark of shadows op haar arm en rug. Akanara excuseerde zich, teleporteerde weg en liet haar golem achter. Kyor deelde zijn Preserve Life uit over de groep, de gnomen en Fred, en legde daarna zijn handen op Dimy'ons zwaard, dat helder begon te schijnen.

Varg riep de Dans Macabre aan: vijf dode cultisten rezen op als zombies en gehoorzaamden hun dirigent. Het ritueel was grandioos verpest. De cultisten riepen doe het voor Gansalax! Gedenk hem! en rolden negentien met disadvantage. Het ritueel faalde — en de berg goud begon weg te roesten. Honderdduizenden goudstukken, volledig verwoest. De necromantische energie zoog de zielen uit de vier overgebleven cultisten, en ze vielen allemaal dood neer. Hoppakee. Doei.

De Val van Remus

Barry was nog steeds onder invloed. Hij haalde uit met zijn bijl — een natural twintig, recht op Gaia's keel — en zij ging neer, op drie punten levenskracht. En bedankt, Barry. Haar levende schild liet los en zweefde boven haar arm. Barry ging breed voor Remus staan: als je bij Remus wil komen, moet je door mij heen. Belenos, die zijn Blink niet ongedaan kon maken, veranderde Barry — met diens toestemming — in een reusachtige constructieslang. Barry als slang probeerde zelfs Dimy'on te grijpen; hij was nog steeds beïnvloed.

Dimy'on keek ernaar en nam een besluit. Ik ga je broer dood. Hij tuimelde onder de slang door, gebruikte een feinting attack, en vond een crit met zijn wounding rapier: zesenzeventig punten schade. Zijn zwaard ging dwars door Remus' borstkas heen. Uit de schaduw brak een schacht van helder licht — en Remus viel. Doei. Dimy'on trok zijn zwaard terug, maakte het nonchalant schoon en zei: ik heb hem bevrijd.

Barry's polymorph brak. Hij hoorde bijna de stem van Mahadi — contractbreuk, mijn excuses — en was plotseling weer zichzelf. Hij keek naar het lichaam van zijn broer, en haalde een zielenmunt tevoorschijn. Laten we die van Axios doen. Die heeft zijn ziel gegeven voor de liefde. Hij offerde de munt en wekte Remus weer tot leven — en hij staat op één. Maar Remus stond nog onder het Blink-effect, flikkerend tussen realiteiten. I'm not even here. En hij knipperde weg — uit de wereld, met het zwaard. Er bleef alleen zand achter op de vloer. Barry had zijn broer dertig seconden terug, en dertig seconden later weer verloren.

Naspel

De laatste monsters werden neergehakt, en de groep bleef achter onder het monsterslijm. Barry zat een hoopje ellende. Varg onderhandelde met de diepgnomen over zijn eigendom — die lieren, dat is mijn eigendom — en de gnoom liet zich vermurwen: we zijn hier eigenlijk om jullie te vinden en te bevrijden, want we hebben een klus voor jullie. Een lucratieve klus. Je hebt een deal, mijn dwerge vriend. Belenos complimenteerde Dimy'on en Alice met hun werk; Alice fluisterde hem iets in het oor over loyaliteit, en hij maakte een symbool in inside language — de naam van een machtig en invloedrijk huurlingengezelschap van mannelijke drow, onafhankelijk van Bregan D'aerthe. Akanara beloofde later antwoorden; de groep blokkeerde haar vluchtroute.

Fred de ezel gaf Barry een snuitje op zijn wang — echte flubberlippen — en leunde tegen hem aan. Gaia doorbrak de stilte met haar botte troost: het is echt kut voor je, Barry. Maar zullen we proberen hier weg te komen? Barry legde uit wat er was gebeurd: Remus was dood geweest, door hem herrezen, en door de actieve Blink uit de wereld getrokken. Met zwaard.

Toen kwam Alice naast hem zitten. Ik heb geen idee wat er gebeurd is met jouw broer. Ik heb hem eerder ontmoet. En hij heeft iets op mij overgebracht. Remus had duisternis op haar overgebracht — en onder haar gezichtstatouages zaten geen tatoeages, maar donkere zwarte vlekken. Dezelfde schaduwplekken als bij Gaia. Gaia's plek was zeker toegenomen; de nabijheid van Remus' shard had haar aangetast. Barry keek naar Gaia, keek naar Alice, en zei wat iedereen dacht: je kijkt naar Gaia, je kijkt naar Alice… en je kunt zijn net als hij ook was.

De gelijkenis tussen Alice en Remus was onmiskenbaar — de manier waarop hij deed, de dingen die hij zei, de lachjes. Ze droegen niet dezelfde achternaam, maar ze hadden allebei een andere naam aangenomen. Alice was familie. Het gesprek liep dood in halve zinnen, en niemand maakte het af.

Barry stond op. Ik wil hier gewoon weg. Kijken of er nog wat shit ligt wat we mee kunnen nemen, en weg. Maar onder dat alles lag een belofte, stil en hard als steen: hij zou zijn broer weer zoeken. Another time, another place.