Honger in Aramkos
Sessiejournal — 20 augustus 2026
"Ik had net… honger." — een stem uit het hart van Aramkos, op het moment dat het woud zijn oog opende
Datum: 20-08-2026 Locatie: De Unter → tunnels van de Underdark → een verborgen gnomendorp → de buitengrenzen van Aramkos Aanwezigen: Barry, Varg, Kyor, Alice, Gaia, Dimy'on
Wat Voorafging
Chol Sin had zijn geheimen niet zomaar losgelaten. In de kelders onder de stad, midden in een instantie van het Wandelend Emporium, had de groep het mislukte dracolich-ritueel van de Cult of the Dragon verstoord, Remus Ombrazone — Barry's verloren broer — dodelijk verwond zien vallen onder Dimy'ons rapier, en hem daarna weer teruggehaald met een zielenmunt, alleen om hem meteen weer te verliezen aan een actieve Blink. En terwijl het stof neerdaalde, bleek de mysterieuze Akanara — de oude drow-dame die hen door Chol Sin had geloodst, die Kyor had geslagen met een vervloekt houten zwaard — niemand anders te zijn dan Sevila zelf, verscholen achter een hoed van vermomming. Onder die vermomming, nog een laag dieper, bleek "Akanara" zelf niets meer dan het zwaard te zijn geweest: de gesmede intelligentie van een oude Netherese huurmoordenaar, die door Sevila's lichaam had gesproken en gevochten. Ze hadden haar buiten westen geslagen om het zwaard tot zwijgen te brengen. Sevila had zichzelf teruggekregen. En uit dezelfde kelders hadden ze drie diepnome bevrijd — de knaapjes die zichzelf later zouden voorstellen als Belda, Beldo en Beldu — die beloofden de kapotte capacitator van de Unter te repareren zodra ze veilig waren.
Te Veel Zielen in een Kolos
De Unter kroop verder door de tunnels, en het was allang duidelijk dat het voertuig — gebouwd voor zes — nooit gemaakt was voor wat het nu droeg. Drie diepnome, een ezel, een bemanning van vijf, en een reisgenootschap van zeven hadden de grenzen van de romp weken geleden al overschreden. Barry riep een headcount af: wie kon binnen blijven, wie moest naar buiten en achter de graafmachine aan lopen op het tempo van een wandeling? Dimy'on koos onmiddellijk voor de Underdark buiten — isolatie, ruimte, zijn eigen tempo. Barry sloot zich bij hem aan, net als Fred, en algauw ook Ulm, die de gnomen zijn plek in de bestuurderscabine liet innemen zonder een woord van protest. Mila rekte haar benen; Malvin en Gendel volgden, mopperend maar mee. Binnenin, tussen de spinnenweb-cocon in de hoek en het geurende fornuis waar Alice giant bone broth stond te koken, bleef amper ruimte over om te ademen.
De Cocon Breekt
Kyor was al dagen bezig met de cocon die sinds de val van Hilvanen in de hoek van de Unter hing — de gevangene die niemand wakker had kunnen krijgen. Mila had elk medisch middel geprobeerd; het spinrag was ondoordringbaar voor zuur, bijna niet stuk te snijden. Kyor kwam tot dezelfde conclusie waar Alice weken eerder ook al op was gestuit: dit was geen gewoon web. Een religiecheck bevestigde het vermoeden — een Kiss of Lolth, een vervloeking die de trouw straft die faalt in hun beproevingen, hen inwikkelt tot ze ontpoppen als driders of iets wat daar dicht bij komt. Kyor knielde bij de cocon, één hand plat op het web, zijn andere hand om zijn muntamulet gesloten. Op het moment dat zijn hand vastplakte aan het weefsel, kanaliseerde hij zijn kracht — een glinsterend licht dat zich over de munt verspreidde en de cocon binnendrong. De draden vielen weg als gesmolten was, en onder het web werd een vrouwelijke gedaante zichtbaar: huid die langzaam van zwart naar een grijsblauwe tint verschoot — dezelfde verandering die Alice al bij zichzelf had gezien — pikzwart haar, en op haar rug acht enorme, gesegmenteerde spinnenpoten die uit haar schouders groeiden als een grimmige parodie op vleugels. Het teken van Lolth's straf, onmiskenbaar. Ze knipperde met haar ogen, tolde eenmaal rond, en vroeg de kamer in: "Waar ben ik? Wie zijn jullie?"
Tula's Verhaal
Ze noemde zichzelf Tula, en ze at voordat ze praatte — rauwe paddenstoelen uit Alice's snijplank, hele stukken naar binnen geschrokt als iemand die weken had gehongerd. Haar verhaal kwam er in korte, hongerige stoten uit terwijl ze champignons hakte. Ze was opgegroeid buiten de landen van de drow, verbannen door haar eigen familie voordat ze geboren was uit hun zicht, opgevoed in afzondering in de Underdark zonder ooit contact te hebben met haar elfse voorouders. Nieuwsgierigheid had haar uiteindelijk naar de drow-steden getrokken, tegen de waarschuwingen van haar moeder in — een reis in tegengestelde richting van bijna elk ander lid van de groep, die stuk voor stuk juist van de drow wég waren gevlucht. Ze was ontvangen met honing in de mond en gevangenschap binnen het kortste keren: een kooi, een circusattractie op de balzalen van een machtig huis, uitgelachen en bekeken als curiositeit, tot een hogepriesteres van Lolth haar had gevonden. "Jullie hebben me bevrijd," zei ze. "Ik laat mezelf hier niet door kisten. Ik heb een goede buik vol met paddenstoelen. Ik heb vriendelijke mensen om me heen."
Wantrouwen
Alice herkende in Tula's verhaal een spiegel van haar eigen leven, precies omgekeerd — een vlucht naar de drow toe in plaats van ervan af, een verlangen naar een volk dat haar nooit de waarheid had verteld over waar ze vandaan kwam. Maar Dimy'on liet zich niet zo makkelijk overtuigen. Hij had de laatste weken Akanara's dubbele bodem, Mahadi's gelach en zijn eigen trucs gezien — wie zich nuttig maakt, wie zegt "ik ben een van jullie", is precies degene die je moet wantrouwen. Barry deelde dat instinct, misschien zwaarder dan wie ook. Toen Tula bij hem terechtkwam, met Fred die zich achter haar opstelde om een vlucht te blokkeren, fouilleerde hij haar zonder omhaal: lege spreukzakjes, een enkel bewaard ingrediënt, geen wapens, geen rijkdom — en, verstopt tussen de vouwen van haar gevangenisplunje, een medaillon met twee portretten van vrouwen die op haar leken. Onder haar capuchon: gepunte oren, elfenbloed, iets onwerelds. En onder haar tuniek: resten van mosterdkleurige kledij, slecht passend, van een plek die ze omschreef als ondergronds, dicht bij het oppervlak, waar mensen soms naar beneden kwamen om aan te vallen — mensen die ze "centuriën" noemde. Barry's oren spitsten zich; hij wist precies welke basis daarmee bedoeld werd. De Zhentarim.
Een Voorwaardelijke Belofte
Ondanks zijn chagrijn geloofde Barry haar verhaal — genoeg, in elk geval, om haar niet weg te sturen. Tula zelf drong niet aan om te blijven; ze bood zichzelf aan als reisgenoot voor precies zo lang als het haar beviel, niet langer. "Waarom spreken we niet af dat ik jullie een tijdje vergezel en probeer te helpen. En als ik één van jullie geholpen heb, net zoals jullie mij geholpen hebben, dan is mijn schuld vereffend." Het was geen belofte van loyaliteit, alleen van evenwicht. Kyor nam op zich om een oog op haar te houden, half uit medeleven, half uit voorzichtigheid — en kreeg van Alice meteen de vraag waarom hij zich altijd opoffert voor het onbekende. Buiten op het pad zocht Tula haar eigen kruiden, klom tegen een grotwand op om iets terug te brengen dat op een steenpad leek — tot je de kikkerachtige pootjes onder het schild zag — en at het met ongeveinsd genoegen. Ze wist waarvan ze at. Dat, meer dan wat ze zei, gaf de groep iets om op te bouwen.
Stilte met Ulm
Buiten, achter de kruipende Unter, liepen Barry en Dimy'on als een mannenroepje aan weerszijden van Fred, met Ulm die zich zonder woord bij hen voegde. Voor Barry voelde het onmiddellijk als vroeger — terug op de weg, terug in de karavaan, met alles wat er sindsdien gebeurd was als een echo die door hem heen trilde. Ulm bleef zwijgend naast hem lopen, uren lang, geen zucht, geen aandrang. Hij wist hoe het was om weg te zijn van je eigen volk; dat wist iedereen die naar hem keek. Toen de tunnel splitste in tweeën, legde Ulm zonder een woord zijn hand op Barry's schouder, gaf een knik, en verdween de rechtertunnel in om te verkennen — terwijl de Unter, met Barry erbij, de linkertunnel nam.
Dimy'ons Eigen Pad
Malvin en Gendel bleven bij Dimy'on plakken, vol vragen — hoe was het om tegen de draak te vechten, wat voor speciale manoeuvre had hij gebruikt, had zijn broer iets gezegd voor hij verdween — en kregen op elk daarvan hetzelfde korte antwoord: "Kun je beter aan Barry vragen. Het was niet zo best." Toen de kans zich voordeed, brak Dimy'on zonder aankondiging af van de groep. Hier, aan de rand van wat ooit Aramkos' invloed moest zijn, herkende hij het paddenstoelen-territorium waar hij zijn gif kon aanvullen. Het voelde als terugkeren naar de patrouille — sign language, geen geluid, alertheid als een tweede huid. Het enige wat vreemd aanvoelde, was al het gepraat achter hem. Er is een reden dat je stilte houdt in de Underdark, en de rest van het gezelschap leek die reden domweg te zijn vergeten.
Drie Broers, Eén Geheim
Terug in de Unter wachtten Belda, Beldo en Beldu, duidelijk zenuwachtig, duidelijk een verhaal aan het voorbereiden dat ze samen hadden ingestudeerd. Belda nam het woord: de reparatie was ernstiger dan ze hadden durven zeggen. Sommige onderdelen lagen letterlijk buiten hun bereik, en de enige plek waar ze die konden vinden was hun eigen dorp — dichtbij, veilig, en geheim. Hun vader, zeiden ze, was een gerespecteerd maker, een man van aanzien die de Unter misschien echt kon redden. Maar de prijs voor die hulp was een gelofte: niemand mocht ooit de locatie van hun dorp verklappen. Belda legde een grote, glinsterende robijn in het midden van de groep en vroeg iedereen te zweren in naam van Gal Glittergold. Een voor een deed de groep het — Kyor zowel op Gal als op zijn eigen god, wat voor hem geen vreemde gewaarwording was; religie leende zich hier voor elk doel dat je nodig had. Alleen Dimy'on aarzelde, tot de gnomen erop stonden dat niemand voorbij mocht komen zonder de naam gesproken te hebben. Hij zwoer, met tegenzin, en de drie broers schoten als raketten de deur uit om hun dorp binnen te rennen.
Poeken en Moeken
Wat volgde was allesbehalve het gastvrije, warme onthaal dat de broers hadden beloofd. Het "dorp" was een kale, kenmerkloze grot met daarin niet meer dan een huisje ter grootte van een hondenhok. Het klopte, het geklop bleef onbeantwoord, en toen ze naar binnen keken vonden Belda, Beldo en Beldu enkel een briefje op een klein tafeltje. Hun vader was hen gaan zoeken nadat ze door het Wandelend Emporium waren ontvoerd, en was zelf nooit terugkeerd. Hun moeder had het briefje achtergelaten om te zeggen dat zij haar man ging zoeken — en was op haar beurt óók al tijdenlang verdwenen. De drie broers, geschokt, wilden meteen terug de tunnels in om hun ouders te zoeken, en verontschuldigden zich dat ze de reparatie niet meer konden afmaken. Varg fluisterde Barry over zijn schouder toe dat gratis werkkrachten voor het leven een overweging waard was; Barry, met een zucht, stelde voor dat de groep zelf zou zoeken. De broers zwichtten, gaven hen een vreemde, glinsterende steen met een spiraalpatroon en een gat aan de zijkant — en leerden hen een familieliedje als herkenningsteken, iets waarvan elk lid van de groep zeker wist dat het hen nog zou achtervolgen.
De Snelheid van een Slak
Het spoorapparaat bleek geen steen, maar een slakkenhuis — en het beest dat eruit kwam gekropen, met lange uitstekende oogsprieten, had precies de intelligentie die je van een slak verwacht en geen greintje meer. Het bewoog in de richting van Belda's ouders met de vaart van een gepensioneerde huiseigenaar. Barry hield het twintig seconden vol voordat hij het beest optilde als een wichelroede en de groep vroeg het te volgen — waarop het zich comfortabel om zijn arm wikkelde en geen enkele haast toonde. Gaia, wanhopig, greep naar haar hoofd. Het was Alice die de oplossing bedacht, met Gaia's druïdische kennis als aanwijzing: deze dieren hebben een natuurlijke angst voor zout. Ze gooide zonder aarzelen een handvol in het gezicht van het beest — en op datzelfde moment schoot het los uit zijn schelp, raakte de grond, en racete er vandoor met een snelheid die niemand voor mogelijk had gehouden. De gang rook plotseling naar escargot en paniek.
De Achtervolging
Wat volgde was een sprint door bochtige, identieke tunnels, achter een slijmspoor aan dat sneller verdween dan ze konden bijhouden. Bij een tweesplitsing wees Gaia's instinct naar links — het slijmspoor bevestigde het — terwijl Tula, kort en resoluut, het tegenovergestelde beweerde. De groep koos voor Gaia, met Alice die er weinig subtiel aan toevoegde dat ze de nieuwkomer domweg niet vertrouwde. Het pad steeg, hoger en hoger, terug richting het oppervlak, tot ze uitkwamen bij de rand van een enorme open grot waarvan de wanden niet uit steen bestonden, maar uit een zachte, zwamachtige substantie. Een groenige gloed vulde de ruimte, helder genoeg om zelfs degenen zonder duisterzicht te laten zien: metershoge zwammen als bomen, enorme groeisels van paddenstoel en fungus, verval en leven in dezelfde adem. Alice en Dimy'on, die van hier vandaan kwamen, wisten het onmiddellijk — dit was de rand van Aramkos, de koningszwam, waarvan ze eerder alleen hadden gehoord.
Honger in Aramkos
Het slijmspoor verdween tussen de zwammen, en dieper in het woud klonk een hoge, aanhoudende kreet — een gnoom, onmiskenbaar, en dichterbij dan comfortabel was. De groep bereidde zich voor voordat ze het gevaar in liepen: Dimy'on smeerde gif op zijn wapen, Alice verdween volledig uit het zicht, Gaia hield haar shillelagh in reserve voor het moment dat het echt nodig zou zijn. Ze duwden zich tussen twee enorme zwammen door, het geknars van paddenstoelen aan alle kanten, en kwamen uit op een open plek waar de grond zelf uit rottend, groeiend fungus bestond — verval en leven zo dicht opeen dat ze niet meer te onderscheiden waren. Voor hen, midden tussen de zwammen, opende één enorme paddenstoel een oog, groot en starend, recht op de groep gericht. En uit het binnenste van het woud kwam een lage, rommelende stem, die de duisternis vulde met slechts twee woorden — traag, tevreden, en met de zekerheid van iets dat al heel lang op een maaltijd had gewacht.
"Ik had net… honger."