←

Sessie 33 - Karsus' Dwaasheid

📅 2026-09-08 🎲 D&D Campaign

← All sessions

Karsus' Dwaasheid

Sessiejournal — 8 september 2026


"Laat het gekend zijn dat ik, vanaf deze dag, bekend zal staan als Karsus — god van alle magie."


Datum: 08-09-2026  Locatie: Karsus' toren (via Aramkos' herinnering) → het lichaam van Aramkos → het verborgen gnomendorp  Aanwezigen: Barry, Varg, Kyor, Alice, Gaia, Dimy'on


De Zevenhoekige Kamer

De herinnering zette zich voort waar ze was blijven steken: in een kamer zo vreemd dat er geen pleisterwerk, geen beeldhouwwerk aan te pas was gekomen — alleen pure magie, opgetrokken uit Walls of Stone. Zevenhoekig, met een zevenpuntige ster op de vloer, en in het midden daarvan een zwevende bol van kristal — een mythalar, dezelfde soort bron die de drie andere vliegende steden in de lucht hield. Om de bol heen liepen door magie geschapen wezens, hun lichamen half kleding en half huid, elk verbonden met de bol via dunne draden licht. Aramkos zelf keek toe vanuit een hoekje van het plafond, verscholen in een sprietje zwarte schimmel — het enige stofje dat deze verder onberispelijke kamer ooit had gekend.

Drie Steden, Drie Heersers

Drie figuren wachtten er, elk de heerser van een van de satellietsteden. Xander Ghoul, streng en pauwveren-getooid, heerser van de stad van metaal, wantrouwde de jonge Karsus openlijk — "Wij zouden onze tijd niet aan deze rebellische marier moeten verspillen." Bellimarius, ouder, aristocratisch, heerseres van de stad van parelmoer, verdedigde hem — hij had immers als kind al zijn eerste spreuk ontwikkeld, zijn stad als jongste ooit doen vliegen. En via een scheur van schaduwenergie kwam de derde binnen: Telamond, dun en kaalgeschoren, heerser van Tultantar — de stad van schaduwen. Hij bevestigde dat zijn volk het Schaduwweefgetouw had leren aanboren, de andere kant van hetzelfde weefsel dat Mystra bewaakt, en dat dit hun geheim tot nu toe had verborgen gehouden, zelfs voor de godin van de magie zelf.

Karsus

Toen zweefde hij zelf de kamer in — geen oude man, maar opmerkelijk jong voor wat hij beweerde te kunnen. Edelstenen zaten letterlijk in zijn vlees gedreven, in zijn handen, in zijn gezicht, een permanente bron van magie die van hem afstraalde. Een genie van een soort dat maar eens per generatie geboren wordt, en hij wist het — een verstikkende combinatie van een monsterlijk ego en een reddersyndroom, iemand die nooit in het gezelschap van gelijken had verkeerd en daardoor voorgoed getekend was. "Ik kom hier de redding bieden," zei hij, armen wijd. "Op de dag van onze redding."

De Nether Scrolls

Zijn onthulling kwam zonder omhaal: goden zijn sterfelijk. Hun lichamen drijven in de astrale zee wanneer ze sterven, en net zo goed als ze kunnen sterven, kunnen ze ook geboren worden — stervelingen kunnen tot goden verheven worden. "Wat stopt ons dan om onszelf tot god te maken?" Vandaag, in de stad die zijn eigen naam droeg, zou hij zichzelf tot God van alle Magie verklaren — en daarmee, beloofde hij, het verimprobleem eens en voor altijd oplossen, en honger, armoede en lijden uit de wereld verbannen. Hij vroeg er maar één ding voor terug: dat de gewone bevolking van Netheril zou weten wie hen gered had.

Mahadi's Handel

Terwijl Karsus zijn scepter hief en het ritueel begon, voelden goden in alle hemelen en hellen tegelijk wat er stond te gebeuren, en hun dienaren — engelen, duivels, wachters van alle soorten — braken door in flitsen van licht en vuur om het tegen te houden. Karsus had dit voorzien. Op een sierlijk knippen met zijn vingers verscheen een nederig geklede handelaar met een tulband en een puntbaardje — Mahadi, in de vlees, een Rakshasa die al een verbond met Karsus gesloten had. Karsus opende de ster op de vloer als een reusachtige poort, en Mahadi zoog met een enkele blik elke binnendringende dienaar van de goden naar binnen en weg, voor een jaar en een dag. In ruil kreeg hij een kleine koperen lamp als geschenk, boog beleefd, en verdween.

De Apotheose

Karsus hief zijn handen. "Deze spreuk die mijn naam zal dragen — mijn apotheose — is niet zomaar een spreuk die een god creëert. Slechts één portfolio is krachtig genoeg om ons het middel te geven de Ferim tegen te gaan. Laat het gekend zijn dat ik, vanaf deze dag, bekend zal staan als Karsus, god van alle magie." En het lukte. Voor een fractie van een moment zagen ze hem veranderen — niet groter, niet mooier, maar méér zichzelf, van een persoon naar een feit, een onontkoombare waarheid in het hart van de wereld.

De Dwaasheid

En toen braken de edelstenen in zijn vlees, één voor één, pikzwart en levenloos, en viel zijn scepter in scherven uiteen. Want zijn spreuk gebruikte magie om hem god te maken — en om dat te bewerkstelligen, moest hij de macht van de godin van magie zelf stelen. Je kan geen spreuk gebruiken om de macht over alle spreuken te stelen, niet wanneer de godin van wie je steelt daardoor zelf geen magie meer heeft om te geven. Het Weefgetouw scheurde. De mythalar onder hem verloor alle kracht en stortte als een kanonskogel door de vloer van de toren. Xander Ghoul werd meegesleurd het raam uit en viel, vier kilometer recht naar beneden. Bellimarius greep naar een ring die haar had moeten redden — er zat geen magie meer in — en volgde hem. Alleen Telamond wist te ontsnappen: op het moment dat zijn eerste spreuk faalde, greep hij niet naar het Weefgetouw, maar naar het Schaduwweefgetouw — nog intact — en sprong door een schaduwdeur, weg naar Tultantar. Karsus zelf bleef achter, wanhopig proberend de draden van het Weefgetouw weer aan elkaar te binden, te dicht bij een god om nog een mens te zijn, en toch nog te veel mens om zoiets onmenselijk groots te beheersen. Zijn gezicht verhardde tot steen terwijl de hele stad, dit fonkelende juweel aan de hemel, met oorverdovend geraas neerstortte.

Terugkeer

De herinnering vervaagde en de groep vond zichzelf terug in het lichaam van Aramkos. Zonder overleg, ieder op zijn eigen manier, legden ze een klein gebaar van rouw neer — Kyor liet bloesems neerdwarrelen, Gaia liet in het geniep een paddenstoeltje groeien met haar rug naar de rest gekeerd, geen van beiden wetend dat de ander hetzelfde deed. Aramkos zag het, en zijn stem klonk zacht: "Aramkos ziet. Hij herinnert. Hij gedenkt dat dit correct is — dat wij allen een bloem mogen leggen op dit graf, en dat wij allen mogen herinneren."

De Erfenis van een Dwaas

Barry begreep niet alles — "een stelletje hoog gedraven mannetjes die dat allemaal verpest hebben" — maar merkte wel op dat het levend steen, dat inmiddels overal in hun reis was opgedoken, blijkbaar precies hier zijn oorsprong had: brokstukken van Karsus' eigen verbrijzelde edelstenen, en waarschijnlijk van talloze andere gebroken katalysators bij elke stad die die dag neerstortte. Kyor zei minder, maar droeg het zwaarst: het Equilibrium, zijn eigen orde, bestond blijkbaar nog niet toen dit gebeurde — het was opgericht ná deze catastrofe, om te voorkomen dat het ooit weer zou gebeuren. Voor het eerst kreeg zijn onderbuikgevoel, de reden waarom hij ooit wegliep, een naam en een gezicht. En er bleef een vraag hangen die hij niet kon beantwoorden: weet het Equilibrium van vandaag deze waarheid nog, of heeft het net als de elfen hun eigen oorsprongsverhaal allang vergeten?

De Zwakte van de Ferim

Kyor vroeg tenslotte rechtstreeks: kent Aramkos een zwakte van de Ferim, iets waarmee de groep ze zou kunnen bestrijden? Met tegenzin — je proefde een terughoudendheid, geen weigering — kwam het antwoord: geen van hen is onverwoestbaar, elk kan sterven, maar ze zijn met te veel, planten zich voort als een plaag, sneller dan Aramkos zelf kan helen, en worden geboren met honger die nooit stilt. Er is geen wapen dat ze makkelijk stopt. Er is slechts één natuurlijke vijand die daartoe ooit in staat is gebleken.

De Sharn

Aramkos beschreef zichzelf als het middelpunt tussen twee machten — de Ferim aan de ene zijde, en aan de andere de Sharn: wezens die niet van deze wereld zijn, maar haar soms thuis noemen, die macht delen met wie ze uitkiezen om redenen die niemand begrijpt, en met wie zelfs Aramkos moeizaam kan communiceren. Barry herinnerde zich plotseling een oude stenen muurschildering die hij ooit had gezien — dezelfde vallende stad, en twee monsterlijke figuren ernaast. De ene had hij nu geïdentificeerd als een Ferim. De andere moest een Sharn geweest zijn. Kyor groef in wat het Equilibrium hem ooit had geleerd: de Sharn zijn te herkennen aan hexportals, zeshoekige scheuren in de ruimte waar ze doorheen opereren, en ze tappen tegelijk uit arcane, goddelijke én natuurlijke bronnen van kracht — iets wat volgens elke ander wezen onmogelijk zou moeten zijn. Autopsies (van de zeldzame keren dat een drow er een gevangen wist te nemen, al overleven ze gevangenschap nooit lang) onthullen drie hersenen — misschien elk gewijd aan een ander soort magie, misschien gebruikt om zich tot één enkel bewustzijn te verbinden. Niemand weet het zeker. Wat wel bekend is: de allerhoogste hogepriesteressen van Lolth hebben zelf bevolen de Sharn met rust te laten, zonder uitleg — een bevel dat, zo vermoedt Kyor, rechtstreeks van Lolth zelf moet komen.

Tussen Twee Machten

Op de kaart die de groep erbij haalde, werd de geografie duidelijk: Aramkos ligt in het hart van het noordelijke Underdark, met het Begraven Rijk — waar de Ferim gevangen zitten — in het oosten, en de Sjarnlanden in het zuidwesten. De wilde, ongecontroleerde magie van de Sharn zou zich verder verspreid hebben, ware het niet dat ze aan twee kanten wordt ingedamd: door de Netherese grotten (brokstukken van gevallen steden als die van Karsus, die de magie hier zo doen afwijken) en door het Labyrinth, een enorme, voortdurend veranderende dungeon waar talloze volkeren eeuwig vechten om de orde te bewaren. Sjarnlanden zelf is dunbevolkt, wild en vrijwel zonder grote machten — zelfs drow, duergar en illithieten mijden het gebied.

Terug bij de Disselgulps

Met al deze kennis nog vers, verdween Aramkos' aandacht langzaam terug in zijn eigen enorme lichaam, en de twee gnomen die de groep hadden vergezeld, namen ieder een hand en leidden hen terug. Twee uur later stonden ze veilig bij de Unter — waar Belda, Beldo en Beldu naar buiten sprongen, riepen "Poeken! Moeken!" en zich in de armen van hun ouders wierpen. Belwar en Gwennie tikten tegen een steen aan de wand, en een hele verborgen gnomenstad schoof open achter een gordijn van stalactieten — groter, warmer en voller dan wie dan ook had verwacht van dat ene piepkleine huisje. De reparatie aan de Unter zou nog een week duren, zei Belwar; tot die tijd waren ze eregasten.

Handel en Voorbereiding

Aan een lange gnomentafel, tussen stoofpot en geroosterd brood, kwam de logistiek van een lange reis ter sprake. Sevila, die zich merkbaar wilde ontdoen van bezit — "ik wil gewoon armer" — verdeelde 900 goudstukken aan edelstenen tussen zichzelf en Kyor als reserve voor een Revivify, en schonk de rest van de partij, 4000 goudstukken, zonder voorwaarden. Barry bracht er een dag mee door edelstenen te slijpen onder haar begeleiding om hun waarde te vergroten. Belwar bood aan wapens en voorwerpen te verbeteren met zijn smeedkunst. Onopvallend trok Sevila zich ook apart terug met Gaia, fluisterend over het Begraven Rijk en een naam die klonk als Zendabar — te zacht om verder te verstaan. En Alice nam Kyor apart met een verzoek dat de rest niet mocht weten: of hij, in het geheim, een Sending naar Remus wilde proberen te sturen.

Tula Gaat Vooruit

Tula koos ervoor niet de hele week te blijven. Ze bood aan vooruit te scouten door het Begraven Rijk, de grootste gevaren voor de groep te markeren of te omzeilen, en aan de andere kant weer bij haar eigen volk te zijn — al vroeg ze, nog steeds op zoek naar haar eigen doel, of de groep haar zou willen helpen dat te vinden zodra ze er samen doorheen waren. Sevila voorzag haar in stilte van reisbenodigdheden voor onderweg. Het afscheid was kort, vriendschappelijk, en een beetje wantrouwig van Barry's kant — maar niemand twijfelde aan haar bedoelingen, alleen aan hoe goed ze wisten wat die precies waren.

Blossom

Het mooiste wat die week gebeurde, gebeurde in de stilte. Gwennie, verrast en verheugd een zuster-druïde van de bovenwereld te ontmoeten, bood aan Gaia te helpen — niet met een boek vol regels, maar zoals ze zelf ooit had leren werken: proberen, kijken wat werkt, opnieuw proberen. Voor het eerst in honderden jaren voelde Gaia zich niet beschaamd voor wat ze niet kon onthouden; Gwennie leerde zonder oordeel, zonder de eeuwenlange elfse eis dat begrip honderdvijftig jaar mocht kosten. Samen verzorgden ze twee bijzondere plantjes: het maanbloesempje, een van de laatste restanten van Hilvanen, gezegend door Seloune — en het ijsbloesempje dat Gaia al sinds de val van die stad bij zich droeg, en dat voor het eerst ooit in Sessie 29 tegen haar gesproken had. Aan het einde van de week opende het zijn grootste bloesem ooit, wortelde zich los uit zijn pot, en groeide uit tot een klein, volledig geanimeerd wezentje van levende ijsbloesem — dat onmiddellijk de gieter pakte en de andere plantjes in de Unter begon te verzorgen. De groep noemde haar Blossom.